In de film 12 angry men, een prachtige film uit 1957, gaat het over een rechtszaak. De 12 juryleden, in die tijd allemaal mannen, moeten over het lot van een jonge jongen beslissen.
Een jonge tiener, afkomstig uit de achterbuurten van de stad, wordt er van beschuldigd zijn vader te hebben vermoord. Het is aan de jury om zich uit te spreken over de zaak. De twaalf leden van de jury krijgen te horen dat als ze het ‘schuldig’ uitspreken, de jongen de doodstraf zal krijgen. Belangrijk is ook dat het oordeel ‘schuldig’ of ‘onschuldig’ unaniem moet zijn. De juryleden trekken zich terug in de jurykamer voor beraad.

Wat er op dat moment in de film gebeurt (ongeveer de eerste 15 minuten) is heel mooi weergegeven wat er in groepen mensen gebeurt.
De 12 mannen, ieder met hun eigen karakter, neigingen en frustraties, doen de eerste stemronde en jurylid nummer 8, gespeeld door Henry Fonda, stemt als enige ‘onschuldig’.
De overige juryleden kijken wat vertwijfeld rond.
Een van de juryleden begint te gniffelen: ‘jongejonge, er is er áltijd eentje….’
‘Hoezo onschuldig? Er zijn getuigen, ik ken dat soort jongelui, hij had het wapen nota bene in zijn hand!’ klinkt het.
‘Denk je écht dat hij onschuldig is?’ vraagt een ander.
‘Ik weet het niet’, antwoordt Fonda.
‘Hoezo ‘je weet het niet?’. Je zat toch in dezelfde rechtszaal als wij net, je hebt al het bewijs toch ook meegekregen? Hij is gewoon gevaarlijk’.
’11 van ons denken dat hij schuldig is. Iedereen weet het zeker, behalve jij’, voegt iemand toe.
Fonda zegt aarzelend: ‘nou ja, ik weet niet óf ik hem onschuldig vind, maar ik dacht dat hij op z’n minst verdient dat we wat uitgebreider dan 5 minuten naar deze zaak kijken’.

De minderheid overtuigen – heel menselijk

De reactie van de hele groep is kenmerkend: de meerderheid gaat proberen om de minderheid te overtuigen. De juryvoorzitter zegt zelfs: ‘misschien kun je ons gewoon vertellen wat je denkt en dan kunnen wij je aantonen wat je over het hoofd ziet’.
Zijn buurman vult aan: ‘het lijkt me onze taak om deze meneer uit te leggen waarom wij gelijk hebben en hij niet. Misschien kunnen we allemaal een paar minuten nemen om hem dat duidelijk te maken’.

De normale reflex in een groep is de minderheid zo snel mogelijk bij te sturen. Die ene meneer moet zo snel mogelijk overtuigd worden van het gelijk van de groep.
Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik herken deze reflex heel goed. Van vergaderingen, grotere bijeenkomsten of gesprekken in een groep. Ook bij ons thuis aan de keukentafel vroeger,  toen ik jong was: de afwijkende mening moet zo snel mogelijk in het gareel. De eenling moet zo snel mogelijk weer aansluiten bij de groep.

De socratische reflex: juist het tegenovergestelde. 

De socratische reflex is het radicaal tegenovergestelde: de stem van de minderheid moet alle ruimte krijgen. Juist daar zijn de interessante gezichtspunten te vinden, de nieuwe ideeën, de andere opties, de frisse blik.
We zijn vaak veel te snel met iemand de mond snoeren, terwijl daar grote wijsheid te vinden is.
In de film Angry Men weet Henry Fonda uiteindelijk alle andere 11 juryleden te overtuigen van de onschuld van de jongen. Door al het bewijs nog eens goed en kritisch door te nemen slaan steeds meer mannen om. Uiteindelijk wordt de jongen vrijgesproken.

Train jezelf dus in de socratische reflex: wanneer je iemand tegenkomt met een afwijkende mening, een oordeel dat jou niet zo handig uitkomt, of iets dat je gewoon verwerpelijk vindt, onderdruk je eerste neiging om de ander te fixen. Ga er in plaats daarvan eens goed voor zitten en verdiep je in het denken van de ander.
Wat is het ergste dat er kan gebeuren? Hooguit houd je er een nieuw inzicht aan over. En in het proces wordt de ander misschien aan het denken gezet, en word je beiden wijzer.

Zo heb ik ooit een keer 1,5 uur lang een gesprek gevoerd met een jong vrouw die overtuigd Christen was. Ik ben dat zelf niet, maar ik vond het heel erg mooi, leuk en verrijkend om haar te bevragen op hoe zij de wereld zag.
‘Wat gebeurt er dan als je dood gaat?’ ‘Hoe denk jij over homoseksualiteit?’ ‘En hoe doe je dat als een van je vrienden homoseksueel blijkt te zijn?’ Het was op dat moment totaal niet relevant wat ík allemaal dacht, ik wilde me alleen maar verdiepen in háár denkwereld. Had ik mijn eigen opvattingen er tegenover gezet, dan hadden we nooit zo diep haar denkwereld binnengewandeld, dat weet ik zeker.

Alle buitenlanders moeten het land uit – en dan in de socratische reflex blijven.

Een MBO-docent vertelde me eens over een leerling in zijn klas: die flapte eruit: ‘alle buitenlanders moeten het land uit’. Dat is natuurlijk even schrikken, wanneer een leerling dergelijke teksten in jouw lokaal bezigt. De eerste, natuurlijke reflex is waarschijnlijk om boos te worden, de leerling eruit te zetten, strafwerk te geven.
Hij moet gecorrigeerd en bijgestuurd.
In ieder geval is de boodschap ‘dit mag je niet zeggen en eigenlijk ook niet denken’.
Hoe begrijpelijk die neiging ook is, het helpt je niet. Met Socrates en Epictetus als inspirators en richtinggevers, kom je verder wanneer je de socratische reflex opzoekt, je nieuwsgierigheids- en verwonderingskanaal openzet en oprecht een vraag stelt.
Je oprecht probeert de verplaatsen in het denkwereld van de leerling in kwestie, zonder oordeel. Dat laatste is ontzettend belangrijk, want voordat je het weet, stel je wel een vraag, maar klinkt jouw afkeer, commentaar of walging door in je vraag en dan werkt het niet.

Je zou hem bijvoorbeeld kunnen vragen: ‘welke buitenlanders bedoel je precies? Allemaal, of alleen een deel?’ ‘Wat zijn de criteria voor ‘moeten het land uit’? Moeten ze iets hebben gedaan, of enkel het feit dat ze buitenlanders zijn?’
Mocht je werkelijk in gesprek raken met deze leerling, en hem het gevoel kunnen geven dat je oprecht zijn denkwijze wilt begrijpen zonder die meteen te willen veranderen, kun je een stapje verder, en proberen zijn denken wat op te rekken, uit te dagen:

‘Als het inderdaad zo is dat alle buitenlanders het land uit moeten, simpelweg omdat het geen Nederlanders zijn, hoe zou je dat dan doen met je vrienden? Ik weet dat je veel omgaat met Achmed, Nadia en Elaine. Zij zijn niet allemaal 100% Nederlanders. Volgens jouw redenering geldt het ook voor hen. Hoe werkt dat dan precies?’

Ergens niet tegenin gaan ≠ goedkeuren

Het feit dat je er niet tegenin gaat, wil natuurlijk geenszins zeggen dat je deze opvatting goedkeurt of het ermee eens bent. Die denkfout maken we nog weleens: als ik er niks van zeg, dan lijkt het of ik het ermee eens ben. Dat is niet zo.
Het is perfect mogelijk om iemand te bevragen zónder goed te keuren wat hij of zij zegt. Daarvoor moet je wel je eigen mening terughouden, objectief blijven in je vraagstelling en je socratische houding trainen. Dat heb je niet te pakken van de een op andere dag, daar heb je vaak wat oefening voor nodig.

De socratische reflex kan menig gedoetje, meningsverschil of discussie verdiepen.
Op z’n minst zorgt het voor flexibiliteit: je rekt je vermogen op om zaken niet alleen vanuit je eigen gezichtspunt te bekijken en je te laten verrijken door een ander perspectief. Dat op zich is al heel wat waard.

****

Wil jij je socratische reflex en andere denkspieren trainen?
Check dan eens het individuele programma Make Me Think of de online training Filosofietjes!

Geen artikelen en inspiratie missen?
Meld je aan voor de Nieuwsbrief OverDenken. Je krijgt meteen een tof kadootje: een e-book met reflectie-oefeningen.

***

Bekijk hieronder de eerste scene van 12 angry men: