Je herkent het vast: je bent met iemand in gesprek, op een borrel, verjaardag, in een winkel of op straat. De sfeer is goed, jullie mogen en vertrouwen elkaar. En dan ligt er een gevoelig onderwerp op tafel. Tenminste, dat denk je. Of die ander dat ook zo ervaart, weet je niet. De ander deelt iets met je waar je graag op zou willen doorvragen. Er ligt een heel mooie, rake, kwetsbare vraag op je lippen.
Een vraag waarvan je vermoedt dat-ie het gesprek kan verdiepen, iets kan raken, iets in beweging kan zetten.

En toch merk je dat je aarzelt, en je kiest ervoor om 'm niet te stellen. Waarom? 

In dit artikel: 3 redenen waarom we een goede vraag vaak inslikken. 

Vraagvrees: vragen stellen vinden we soms hartstikke spannend.

We zijn -als het om vragen stellen gaat- bang voor 3 dingen:
1. Voor ongemak bij de ander
2. Voor onze eigen pijn en ongemak
3. Voor conflict, ruzie en algehele ongezelligheid.

1. We zijn bang voor ongemak bij de ander
Ik luisterde eens een podcast van interviewer Anne Neijnens.
Zij stelde Jan Geurtz de vraag hoeveel relaties hij op dit moment heeft. Op zich geen vreemde vraag; ze wist van Geurtz dat hij een ruime kijk had op monogamie en soms meerdere relaties naast elkaar had. Geurtz weigerde daarop te antwoorden, want die vraag ‘vond hij veel te persoonlijk’. Vervolgens schaamde Anne zich enorm over het stellen van deze vraag, terwijl ze wel dacht dat haar luisteraars precies naar dit onderwerp heel nieuwsgierig waren; het hele interview ging over relaties, liefde, conflicten, monogamie en alles wat ermee samenhangt.

Sigrid van Iersel, verhalenmaker en interviewer, herkent die angst om bepaalde vragen te stellen:

‘Het moeilijkste van vragen stellen is dat je al vooruitdenkt over de mogelijke reactie van de ander. Dat jouw vraag de ander in verlegenheid kan brengen. Of dat je de ander confronteert met iets waar hij zich voor schaamt. Of met iets dat zeer persoonlijk is.  Ik heb de meeste last van gene bij persoonlijke vragen die een vorm van kwetsbaarheid  raken. Vraag je een man met een zichtbare handicap wat hij allemaal niet meer kan, of wat hij het meest mist?
Durf ik bij een vrouw die nauwelijks kan lezen en schrijven te vragen of ze de uitgeschreven tekst van ons gesprek na afloop wil lezen? Ze is immers laaggeletterd?
Uiteindelijk heb ik dat wel gedaan, maar het voelde ongemakkelijk. Dat ongemak zat meer bij mij dan bij die vrouw. Die was de schaamte over haal taalhandicap al wel voorbij. Vragen naar kwetsbaarheden blijft een lastig punt. We vullen voor de ander al in dat hij zich schaamt, het onderwerp ongemakkelijk vindt of misschien confronterend. Het raakt onze eigen kwetsbaarheid. Ik verwijt dan mezelf dat ik het niet goed heb aangevoeld. En daarom vraag ik het uiteindelijk maar gewoon niet.
Terwijl ik het idee heb dat dit een gemiste kans is.’

Sigrid slaat hier de spijker op z’n kop: we zijn bang om wezenlijke, spannende vragen te stellen die mogelijk leiden tot ongemak, maar ook kunnen leiden tot verbinding, omdat dat allemaal gepaard gaat met kwetsbaarheid. We gaan er te snel vanuit dat een ander niet op een bepaalde vraag zit te wachten.

2. We vrezen ons eigen ongemak
Ook je eigen ongemak – of angst ervoor – kan ervoor zorgen dat je bepaalde vragen inslikt.
In de grotere gebeurtenissen van het leven, rond geboorte, sterven en ziekte, zijn er soms dingen die je zelf te pijnlijk vindt om aan te raken.

Dat kan ervoor zorgen dat je ook geen vragen aan een ander stelt. Er zijn verhalen van mensen die onderwerpen als kanker, dood, ziekte en dergelijke vermijden omdat ze wellicht zelf net iemand hebben verloren of een diagnose hebben gekregen. Helemaal niet vreemd en totaal begrijpelijk dat je dan niet durft te vragen: je bent bang voor je eigen pijn, ongemak, tranen wellicht. 

Een les die ik daar zelf ooit in leerde, was de volgende:

Een jaar of 8 geleden, voor mijn filosofeer- en vraagzoektocht, leerde ik daar zelf een grote les in: ik stelde een vraag niet uit angst. Ik werkte toen als paardentrainer en –instructeur. Ik gaf Caroline les, een heel leuke meid met wie het goed klikte. Ze had een prachtige merrie, onbeleerd, waar we samen mee aan de slag gingen. We zagen elkaar bijna wekelijks voor een les. Op een gegeven moment hoorde ik een hele poos niks van haar. Er ging een hele zomer overheen voor ze me een berichtje stuurde en vertelde dat in de tussentijd haar vader plotseling was overleden.
Natuurlijk heb ik haar gecondoleerd en sterkte gewenst. Toen we elkaar een paar weken later weer zagen voor een les, durfde ik niets over haar vader te vragen. 
Ik vond het zelf te spannend, te ongemakkelijk en ging er vanuit dat zij gewoon lekker met haar paard aan de slag wilde en het niet over haar vader zou willen hebben. 
Later vertelde ze me dat ze het heel jammer had gevonden dat ik niets over haar vader had gevraagd, want juist omdat we een fijne klik hadden, had ze daar wel behoefte aan. 
Het leerde me een heel belangrijke les: ik wil mijn eigen ongemak en pijn geen leidraad laten zijn in het wel of niet stellen van een belangrijke vraag.

3. We houden het liever gezellig
Het met elkaar eens zijn is veiliger dan het met elkaar oneens zijn. Meningsverschillen zijn eng. Ze gaan gepaard met angst voor afwijzing, uitsluiting. 
Het laatste wat je wilt is worden uitgestoten door de groep, om welke reden dan ook. 
Een afwijkende mening is precies zo’n reden om je buitengesloten te voelen. Misschien doe je daarom weleens concessies aan je eigen opvattingen. 
Voor je het weet zég je dat je het ergens mee eens bent en zit je achteraf thuis op de bank van jezelf te balen omdat ‘ik had eigenlijk dit of dat willen zeggen’.

Desiré, een van de deelnemers aan een training ‘kritisch denken’, verwoordde het heel mooi:

‘Als mij om een mening gevraagd wordt, dan wacht ik meestal gewoon even af. Ik kijk dan wat anderen vinden en luister heel goed. Pas als ik weet wat anderen denken en vinden, durf ik mijn eigen mening te vormen’.


Een vraag naar iemands opvatting over de Zwarte Pietendiscussie, politiek, religie, #MeToo of de klimaatcrisis is risicovol. De sfeer blijft het gezelligst als we het met elkaar eens zijn. Een verhit debat op een verjaardag gaan we liever uit de weg. 
Om (onbewust) een gevoel van versterking, harmonie te bewaren, stellen we slechte vragen. 
Onze behoefte aan harmonie, bevestiging van onze eigen normen en waarden en opvattingen, zorgen ervoor dat we in de vraag zelf al proberen te sturen en controleren. Zo zorgen we ervoor dat het tenminste nog een beetje gezellig blijft. Als in een groep de mening vóór Zwarte Piet ruim vertegenwoordigd is, dan is een ‘vraag’ als ‘maar denk je ook niet dat het niet de bedoeling is dat we altijd maar concessies doen aan onze tradities?’ gauw gesteld. 

Vragen stellen, goede, oprechte, nieuwsgierige vragen stellen, is wat dat betreft een ‘leap of faith’: je formuleert een vraag, een échte vraag. 
Je laat ‘m los en je wacht af. Je vult niet in, je hoopt niet op een bepaald antwoord, je geeft geen verstopt advies, je legt niet je eigen verhaal ernaast, je keurt het antwoord van de ander goed noch af. 
Er is een risico dat de ander het niet met je eens is en dat het bar ongezellig wordt allemaal. 
Een vraag kan iemand uit evenwicht brengen en wat spanning in een gesprek brengen.
Je schaamt je voor een ‘onbeleefde’ vraag of voelt je schuldig voor het ongemak van de ander.
Maar schuld of schaamte hoeft er niet te zijn, als we anders met die vragen omgaan.

We maken het onszelf als maatschappij namelijk -onbewust- heel moeilijk: we geven vaak de vraag en de vragensteller de schuld van ons ongemak. We zeggen tegen kinderen ‘dat mag je niet vragen!’ Soms vindt iemand ‘de vraag veel te persoonlijk’. Of we antwoorden kortaf en vermelden in een bijzin dat ‘dit soort vragen toch wel wat ongepast zijn’.
Stel je dan toch die spannende, maar oprechte vraag, dan loop je het risico dat de vraag en jij als vragensteller daarop wordt afgerekend. De schaamte die dat oproept willen we niet nogmaals ervaren en dús ontwijken we de wat diepgaander, spannender vraag.

En daarmee de kans op een goed gesprek en oprechte verbinding. We hebben zelf een vraag-cultuur gecreëerd (of beter: een niet-vraag-cultuur) waardoor we liever níet vragen dan dat we risico lopen. 

Paradox
Een vreemde paradox: Wanneer we geen vragen durven te stellen vanwege belemmerende overtuigingen, angst voor afwijzing en kwetsbaarheid, blijft er maar één ding over: aannames doen. 
Je vult in, vanuit je eigen ervaringen ‘hoe het zal zitten’. 
Je moet wel, je hebt immers niet veel anders wanneer je jezelf niet toestaat de vragen te stellen die ertoe doen.

REFLECTIE:

Vraag jezelf eens af:
- wanneer stel jij een vraag níet? Waar ben je op dat moment bang voor? Ongemak bij de ander, je eigen angst of ben je bang voor conflicten of ruzie?
- welke vragen had je graag willen stellen, maar heb je ingeslikt? Weet je nog waar dat toen aan lag? 
- wanneer denk jij ‘wel te weten hoe het zit’? Wanneer doe jij aannames zonder ze te checken? Kun je een concreet voorbeeld herinneren?
- waar wil jij soms de controle vasthouden in je vraag? Hoe merk je dat?


Dit artikel is een preview uit mijn boek 'Socrates op sneakers', inmiddels een regelrechte bestseller te noemen 🙂
Je vindt alles over het boek, meer previews, gratis extra's, interviews en media op www.socratesopsneakers.nl

Foto klif: unsplash


Bestel het boek!

'Socrates op sneakers' is het boek voor iedereen die op zoek is naar meer verdieping in gesprekken, wijsheid en prikkelende vragen.